ย
ย
Het is begin 2026.
Ik zit hier weer.
Op dezelfde plek als een jaar geleden.
Toen keek ik vooruit, zoekend. Naar antwoorden over het leven. Over vaderschap. Over wat het betekent om er รฉcht te zijn voor een kind. Niet als rol, maar als mens.
Nu, een jaar later, kijk ik anders.
Niet omdat ik alles weet, maar omdat ik meer belichaam wat ik leef.
Het afgelopen jaar heeft zich niet lineair ontvouwd. Het heeft zich laten zien in lagen. In ontmoetingen. In spiegels. In weerstand en vertrouwen. En precies daar, in dat spanningsveld, is iets ontstaan wat ik niet had kunnen bedenken, maar wat wรฉl kloppend voelt.
Ik heb een training ontwikkeld.
Voor professionals in de jeugdzorg.
Mensen die dagelijks aan tafel zitten bij ouders en dus ook bij vaders.
Wat ik hen leer, gaat niet over methodieken of antwoorden.
Het gaat over aanwezigheid.
Over wat je zรฉlf meebrengt in het gesprek.
Niet alleen wat je komt halen, maar vooral: wie je bent wanneer je luistert, wanneer het schuurt, wanneer je de neiging voelt om te redden, te pleasen of op te lossen.
De training is opgebouwd vanuit de vijf dimensies van eigen kracht:
ik ben, ik kan, ik weet, ik heb en ik doe.
Maar in de kern gaat het over รฉรฉn vraag:
In wiens belang doe ik wat ik doe?
Om de ander werkelijk in zijn kracht te zetten, moet je eerst zicht hebben op je eigen kracht. En op je eigen patronen. Op wat je hebt aangemeten om te overleven en wat je inmiddels belemmert om werkelijk te ontmoeten.
Ik zie hoe lastig het is voor mensen om zonder oordeel te zijn.
Niet te repareren.
Niet te verzachten.
Niet te verdwijnen in behulpzaamheid.
En ik zie hoe bevrijdend het is wanneer dat wรฉl lukt.
Wanneer feedback geen correctie meer is, maar gedeelde ervaring.
Wanneer reflectie niet gaat over goed of fout, maar over: zo heb ik het beleefd.
Vanuit gelijkwaardigheid.
Van mens tot mens.
Wat me raakt, is de snelheid waarmee dit proces zich ontvouwt.
En tegelijkertijd de rust die het in mij brengt.
Ik voel vertrouwen.
Van binnenuit.
Alsof ik niet meer hoef te duwen of te bewijzen, maar alleen hoef te verschijnen. Aanwezig. In dienst van de ander. Door aan te stippen, te bevragen, en het daarna te laten rusten in de groep, in het moment.
Daar ontstaat veiligheid.
Daar ontstaat verbinding.
En precies in die bedding durven mensen te oefenen. Te falen. Te spelen met nieuw gedrag. Niet ondanks de โfoutenโ, maar dankzij hen. Omdat falen hier geen afwijzing is, maar een teken van beweging.
Nu sta ik opnieuw aan het begin van een jaar.
En opnieuw voel ik de behoefte om te schrijven.
Niet om iets nieuws te verzinnen, maar om dieper te verstaan wat zich al laat zien. Om de training verder te doorleven. Om te begrijpen wat dit proces van mij vraagt en hoe ik het zo kan overdragen dat het trouw blijft aan de essentie.
Ik ervaar daarin overgave.
En rust.
Ik heb twee coaches naast me gezet. Niet om mij te sturen, maar om mij te spiegelen terwijl ik verder afdaal. En tegelijkertijd voel ik een ander verlangen, stiller misschien, maar niet minder krachtig.
Een verlangen om mijn relatie met God te verdiepen.
Om Jezus meer toe te laten in mijn leven.
Om te herstellen wat ooit is losgeraakt.
Dat vraagt volledige overgave.
En eerlijk gezegd: dat is spannend.
Maar wanneer ik me afstem, voel ik warmte. Liefdevol. Dragend.
Een beweging vanuit mijn zonnevlecht, pulserend, verruimend.
Bijna alsof er een nieuw hart in mij klopt.
Het ontroert me.
Het vervult me met vreugde.
Ik hoef niets te doen.
Ik mag er alleen mee zijn.
Met mezelf.
Met God.
Dienstbaar.
Vol vertrouwen.
En verrassend genoeg: vol energie.